Wonderbaarlijke observaties op een zaterdag die niet lijkt te willen eindigen. Treinen rijden ondanks de ochtendkou, reizigers laten gedwee een leeg eersteklasrijtuig aan zijn lot over om samen te hokken in een wagon van tweede garnituur. Bij het buitenrijden van het station het eerste gekrijs van een baby. Naast me leest een vrouw, die er tof uitziet, een Globetrotter over Marokko. Marrakesh met het openbaar vervoer. Ze pauzeert even voor een boterham die ik niet eten mag. Iedereen zit opgesloten in zijn of haar eigen cocon. Als ik hier en nu doodval, dan heeft niemand het gezien. Ik lees Maus in het Engels en maak me de bedenking dat we muizen zijn die altijd weer verhuizen. De katten zitten al lang in het buitenland, nieuwe paradijzen zoekend voor hun kapitaal. De trein rijdt onder het Water door. Van links naar rechts. Ik denk aan haar. Stuur 'r een zomaartje via hotmail. We komen aan in A. Vroeger maakte ik daar grapjes over, iets over we worden dikker in Brussel, waarmee ik medereizigers aan het lachen placht te brengen. Een megalomaan station waar het zoeken is naar spooraanduidingen en de rijen aan de toiletten decameters lang zijn. Vóór me, zo ver het oog reikt, een kale laan vol ingebeelde doch gevelde bomen. Opaciteit op hakken in de laatvoormiddagse winkelstraten. Gezond eten op het vertrouwde adres. Blonde vrouwen in gezelschap van ongeschoren mannen met nekhaar. Vaak met een Hollands accent. Zo is het goed. Een paar straten verder slurpen mannen en vrouwen met grijs haar de namiddag leeg. Ik zit in het Hof van Eden. Spreid smart en tablet voor me uit. Hypergeconnecteerd ben ik. Ze zegt: je bent een vriend met een speciale handleiding. Ik schrijf: je bent de evenwichtsstok van de koorddanser in me. Ik zit in de eerste coupé om de duisternis zo lang mogelijk voor te zijn. Weer naar huis. De sleur, de ordinaire geur. In G. loopt veel verschrikkelijk jong talent rond, of is het veel jong verschrikkelijk talent? Je ziet in de ogen van de meisjes op het perron de schalksheid, die toeneemt met het verstrijken van het daglicht. Een kleine metalmeid hangt aan de takken van een boomlange metaljongen met lange manen. Ze kijkt naar hem op. Als hij haar zoent, buigen zijn knieën diep door. Het is aandoenlijk mooi om naar te kijken. Ooit komt het misschien toch nog goed.
